Een aantal jaar geleden leerde ik iemand kennen, laten we hem Bart noemen, die in zijn jeugd twee psychoses had gehad. Hoe dit precies zat, weet ik niet, maar er waren in ieder geval ook middelen bij betrokken.
Sindsdien gebruikte Bart al 20 jaar antipsychotica en was onder behandeling van de GGZ. Hij had regelmatig crises en had ook al een hele rij diagnoses gekregen, waaronder schizofrenie en een bipolaire stoornis.
Toen ik Bart beter leerde kennen, zag ik allerlei tekenen die wezen op hechtingsproblematiek. Zijn vader had het gezin verlaten toen Bart nog heel jong was, en zijn moeder was emotioneel niet beschikbaar, terwijl Bart een heel gevoelige jongen was. Zijn oudere broer beschreef hij als narcistisch, en in de verhalen die hij vertelde kwamen inderdaad narcistische gedragingen voor. En zijn andere broer was depressief. Een gezin vol problemen dus.
Bart had nog wel contact met zijn moeder, maar was daarin steeds teleurgesteld en gefrustreerd omdat ze hem niet kon geven wat hij nodig had. Maar hij wilde niet over haar praten uit loyaliteit en omdat hij bang was om zijn gevoelens echt toe te laten.
Op een dag appte ik Bart en bleek dat hij in een ‘crisis’ zat. Het was na vijf uur en hij had de huisartsenpost al gebeld, die hem had verwezen naar de crisisdienst van de GGZ. Daar was hem verteld dat hij voor de nacht maar extra medicatie moest nemen en de volgende dag naar zijn huisarts moest gaan.
Deze telefoontjes hadden hem uiteraard niet geholpen, dus ik vroeg hem wat er aan de hand was.
Binnen een kwartier appen was Bart uit zijn crisis. Een crisis die niets psychotisch, schizofreens of bipolairs had. Bart had een lastige situatie meegemaakt en was overspoeld door gevoelens die hij zelf niet kon ontwarren. Door naar hem te luisteren en woorden te geven aan de gebeurtenis en zijn gevoelens, kreeg Bart weer overzicht. Bart begreep wat hem overkomen was, kon zijn emoties erbij plaatsen en maakte al gauw weer een plan voor de avond. Door dat laatste wist ik dat hij uit zijn freeze-toestand was gekomen en weer oké was.
En het enige wat ik gedaan had, was co-regulatie. Niets moeilijks, niks waar je een lange studie voor nodig hebt of waarvoor je in de DSM moet kijken. Ik deed wat elke goede moeder bij een kind zou moeten doen. Wat zijn moeder niet had kunnen doen, doordat haar moeder dat waarschijnlijk ook nooit had gedaan.
Deze situatie heeft bij mij (nog meer) grote vraagtekens bij de GGZ opgeroepen. Ik zeg niet dat alle crises met enkel co-regulatie op te lossen zijn, maar het was niet eens geprobeerd. De crisisdienst bleek enkel een pillenverstrekker, en in die 20 jaar GGZ was er nog nooit gewerkt aan goede emotieregulatie. Hoe kan dat?
Enige tijd later kwam Bart bij een nieuwe psychiater en die kwam toen – voor het eerst – met ‘hechtingsproblematiek’.
Iets dat ik mede dankzij het boek ‘Vrij gehecht’ al binnen enkele gesprekken doorhad.
Crisis of behoefte aan co-regulatie?




