Het vermijdende hechtingspatroon
Niemand nodig hebben, weinig voelen en vaak gericht zijn op presteren. Is dat innerlijke kracht, of is het zo aangeleerd?
Het vermijdende hechtingspatroon is één van de drie onveilige hechtingspatronen. Op deze pagina lees je hoe dit patroon eruitziet bij volwassenen, hoe het ontstaat en welke drie varianten er zijn.
Je kunt het vermijdende hechtingspatroon ook tegenkomen onder de naam ‘afwijzend’. Beide termen verwijzen naar hetzelfde: gevoelens en emotionele verbindingen worden zowel vermeden als afgewezen.
‘Ik heb niemand nodig’ – hieraan herken je het vermijdende hechtingspatroon
Als je je afvraagt of jijzelf of iemand anders dit hechtingspatroon heeft, dan kun je kijken of je de volgende kenmerken herkent.
Mensen met het vermijdende hechtingspatroon komen vaak zelfverzekerd over. Het lijkt alsof ze alles zelf kunnen oplossen en anderen niet nodig hebben. Maar onder die onafhankelijke houding gaat dikwijls een negatief zelfbeeld schuil en zijn ze helemaal niet zo zeker. Ze geloven niet dat ze op anderen kunnen vertrouwen en lossen daarom hun problemen liever zelf op.
Hun focus ligt vaak op prestaties en doelen. Hierbij is de emotionele verbinding met de ander ondergeschikt. Herkenbaar zijn uitspraken als: ‘Ha, ha ik had gelijk. Ik zei het je toch’. Ze herkennen hun eigen behoeften vaak niet goed en hebben moeite om te genieten van dingen zonder concreet doel of resultaat.
Ze lijken goed met emoties om te kunnen gaan omdat je ze niet gauw emotioneel zult zien en ze er niet veel over hoort praten. Als emoties al ter sprake komen, dan worden ze genegeerd of snel kleiner gemaakt met uitspraken als:
‘Ik maak me er niet druk om.’
‘Zo erg is het toch niet?’
‘Je moet niet zoveel voelen.’
Dit kan ‘sterk’ overkomen, maar in feite laten ze emoties niet echt binnenkomen, omdat ze het belang ervan niet erkennen of niet weten hoe ze ermee om moeten gaan. Vaak kunnen ze hun eigen emoties ook niet goed voelen en verwoorden. In emotionele situaties kunnen ze daarom ook kortaf reageren, veranderen van onderwerp of uit (oog)contact gaan. Zelf zien ze dit meestal niet als probleem. In hun beleving zijn ze gewoon nuchter, rationeel of praktisch en niet zo emotioneel.
In relaties hebben ze moeite met nabijheid en kwetsbaarheid. Als de partner te dichtbij komt, trekken ze zich terug. Ze kunnen de emoties van de partner overweldigend vinden. Niet omdat het ze niet kan schelen, maar omdat ze niet weten hoe ze ermee om moeten gaan. De ander kan dit interpreteren als afwijzing of desinteresse, terwijl het vaak eigenlijk onmacht is.
Intieme relaties kunnen daardoor een patroon krijgen waarbij de een toenadering zoekt en de vermijdende persoon afstand houdt. Voor de partner kan dit verwarrend en pijnlijk zijn. En voor degene met het vermijdende patroon ook, want het verlangen naar verbinding is er wel degelijk, het wordt alleen zorgvuldig op afstand gehouden.
Bindingsangst is een populaire benaming voor de angst voor emotionele nabijheid en commitment in relaties. Vaak denken mensen dat bindingsangst specifiek hoort bij het vermijdende hechtingspatroon, maar angst voor het aangaan van een verbinding kan ook voorkomen bij de andere onveilige patronen. Het zit alleen anders in elkaar.
Iemand met het vermijdende patroon gaat verbinding uit de weg omdat nabijheid ongemakkelijk of bedreigend voelt. Bij het angstige patroon kan de angst voor verlies of afwijzing zo groot zijn, dat iemand daardoor verbinding uit de weg gaat.
Mensen met het gedesorganiseerde patroon verlangen sterk naar verbinding maar hebben er tegelijk een sterke angst voor, waardoor er een patroon van aantrekken en afstoten ontstaat. Daarom kun je er bij iemand die echte verbinding uit de weg gaat niet automatisch vanuit gaan dat hij een vermijdend hechtingspatroon heeft.
Voorbeeld:
Mara heeft een nieuwe partner en alles lijkt goed te gaan. Voor haar partner komt ze over als een zelfstandige vrouw die zelf haar boontjes kan doppen. Wanneer hij vertelt dat hij gespannen is voor een moeilijk gesprek op het werk, reageert Mara kortaf: ‘Ach, dat zal wel meevallen. Maak je er niet zo druk om.’ waarna ze snel van onderwerp verandert.
Als haar partner dichterbij wil komen tijdens een emotioneel moment op tv, trekt Mara zich terug door op haar telefoon te kijken. Ze wil graag verbonden zijn, maar voelt zich overweldigd door zijn emoties en weet niet goed hoe ze ermee om moet gaan. Hierdoor kan haar partner zich afgewezen voelen, terwijl Mara innerlijk wél nabijheid en steun verlangt.
Jimmy on Relationships: Afkicken van vermijdende heching.
Hoe het patroon ontstaat
Zoals ik schreef op de pagina ‘Wat is hechting?’ past een kind zijn gedrag aan aan de mensen om zich heen omdat het van hen afhankelijk is. Als ouders vaak niet snel reageren of op een afwijzende manier wanneer een kind huilt of op een andere manier zijn behoeften of gevoelens uit, concludeert het kind onbewust twee dingen:
- Als ik laat zien wat ik voel of nodig heb, word ik afgewezen.
- Mijn lichamelijke sensaties en innerlijke beleving zijn blijkbaar niet van belang.
Vanwege zijn afhankelijkheid is afwijzing voor het kind een reëel gevaar dat het probeert te voorkomen. Het moet daarom uit zelfbescherming een andere manier vinden om met zijn nare gevoelens om te gaan. Onbewust kiest het ervoor dat ‘zo min mogelijk voelen’ de beste strategie is. Het gaat zijn emoties en lichamelijke signalen zo veel mogelijk uit de weg door ze bijvoorbeeld te onderdrukken, zijn aandacht ervan af te halen en zich af te sluiten voor nare prikkels van buitenaf.
Dit is in grote lijnen hoe het vermijdende hechtingspatroon ontstaat. Het kind leert dat zich kwetsbaar opstellen onveilig is en verliest voor een groot deel het contact met zijn behoeften en gevoelens, waardoor het hier als volwassene niet goed meer bij kan.
De vier voorwaarden
Als je kijkt naar de vier voorwaarden voor een veilige hechting, dan wordt concreter waar het bovenbeschreven gedrag van volwassenen met het vermijdende hechtingspatroon vandaan kan komen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het om algemeenheden gaat, en dat bij ieders opvoeding ook andere elementen een rol kunnen hebben gespeeld. Ook was het niet altijd zo dat beide ouders op deze manier reageerden, maar was vooral het gedrag van één ouder bepalend voor het ontstaan van het hechtingspatroon.
Warmte, intimiteit en wederzijds plezier
Voor een gezonde ontwikkeling is het essentieel dat de ouders of verzorgers een warme, intieme relatie opbouwen en genieten van contact met het kind. Bij iemand met een vermijdend hechtingspatroon was dit vaak niet het geval. Als kind is hij functioneel wel verzorgd, maar de ouders hebben niet met liefdevolle aandacht geïnvesteerd in de relatie.
Bij het verschonen ging het er bijvoorbeeld vooral om dat het kind snel een schone luier kreeg, zodat de geplande activiteiten weer door konden gaan. Het moment samen werd niet gebruikt om van elkaar te genieten. Ook is er vaak niet echt met het kind gespeeld, gedanst of muziek gemaakt. Bij uitjes ging het vooral om het doel – zoveel mogelijk attracties bezoeken en foto’s maken voor later – en niet om het delen van de beleving.
Dit gemis aan echte verbinding laat sporen na. Als een kind geen echte aandacht en bevestiging krijgt, ervaart het niet dat het gewenst en waardevol is. Dit kan leiden tot een negatief zelfbeeld en onzekerheid. Ook doet het kind geen ervaring op met nabijheid en intimiteit, waardoor dit later ongemakkelijk en onveilig kan voelen. Omdat het kind zijn ouders (vrijwel) nooit heeft zien spelen, kan speelsheid bij de volwassene ook (bijna) helemaal verdwenen zijn.
Afstemming op het kind
Bij afstemming gaat het erom dat een ouder de signalen van het kind opmerkt, begrijpt wat het nodig heeft en hier sensitief en op tijd op reageert. Zoals ik hierboven al beschreef, ontstaat het vermijdende hechtingspatroon juist door een gebrek hieraan. Vaak is er wel continuïteit maar de signalen van het kind worden niet goed opgepakt. De ouders leven zich onvoldoende in en reageren niet op een sensitieve manier. Bij een huilende baby wordt bijvoorbeeld gemist dat hij pijn heeft omdat hij tandjes krijgt of een bange peuter krijgt te horen dat hij zich niet zo moet aanstellen.
Dit gebeurt vaak als ouders zelf als kind hebben geleerd om hun behoeften en gevoelens te onderdrukken. Je kunt immers niet bij een ander herkennen wat je bij jezelf niet meer herkent. En zo herhaalt het patroon zich van generatie op generatie. Maar het kan ook dat ouders in beslag worden genomen door andere dingen, zoals werk, geldzorgen, of de ziekte van een van de ouders of een ander kind uit het gezin.
Op latere leeftijd heeft dit tot gevolg dat iemand niet goed in contact is met zijn gevoelens en deze dus ook niet makkelijk kan uiten (dit wordt ook wel ‘alexithymie’ genoemd). Vaak is ook het contact met het eigen lichaam verstoord, waardoor honger en pijn lang ontkend of gebagatelliseerd kunnen worden en iemand niet goed voor zichzelf zorgt.
Daarnaast voelt het delen van de innerlijke beleving onveilig en kwetsbaar, omdat iemand hier als kind om werd afgewezen en nu weer dezelfde reactie verwacht. Om de pijn van afwijzing te vermijden, houdt iemand daarom zijn gevoelens – waar hij vaak toch al moeilijk woorden aan kan geven – liever voor zich. Of hij gaat uit contact wanneer iemand te dichtbij komt om niet gekwetst te worden.
Hierbij wil ik opmerken dat mensen zich hier vaak niet bewust van zijn, waardoor ze hun gedrag ook niet ineens kunnen veranderen.
Balans tussen autonomie en veiligheid
Een kind heeft enerzijds de behoefte om de wereld zelf te ontdekken en aan de andere kant behoefte aan veiligheid. Mensen met een vermijdend hechtingspatroon hebben in veel gevallen te vroeg te veel zelf moeten doen en te weinig bescherming gekregen. Vaak lag de nadruk op ‘zelfredzaamheid’ en was er te weinig aandacht van de ouders bij het spelen of waren ze helemaal niet aanwezig. Gevaren werden door de ouders onderschat of onderdrukt met gedachten of uitspraken als ‘het zal allemaal wel meevallen’ of ‘het zal zo’n vaart niet lopen’.
Als het kind terug wilde vallen op een ouder omdat het iets eng vond, kon het niet op ze rekenen. Daardoor leerde het kind zijn innerlijke signalen te negeren en om dingen maar gewoon te doen, ook al gingen die tegen zijn gevoel in. Het kan daardoor lijken dat het kind of de volwassenen veel aandurft, maar er zit geen echt zelfvertrouwen onder.
Ook gaven de ouders het kind emotioneel weinig of geen steun wanneer het bijvoorbeeld verdrietig was over de verhuizing van een vriendje of wanneer het gepest werd op school. Dikwijls lag de nadruk op prestaties en doelen. Bij het behalen van hoge cijfers of goede sportprestaties, kreeg het kind aandacht en materiële beloningen, maar het kreeg geen emotionele steun op de weg daarnaartoe.
De ouders stelden vaak wel grenzen, maar deze waren vooral rationeel en volgens een bepaalde norm, en niet afgestemd op de behoeften en ontwikkeling van het kind.
Omdat ze als kind niet op hulp en steun van de ouders konden rekenen, vertrouwen volwassenen met dit hechtingspatroon er niet op dat zij hulp kunnen vragen van anderen, zowel bij praktische problemen als wanneer ze zich rot voelen. Ze denken meestal dat je als volwassene alles zelf op moet kunnen lossen en dat hulp vragen een teken van zwakte is. Vaak zijn ze zelf ook erg prestatiegericht en hechten veel belang aan hun werk of sport.
Hulp bij emotieregulatie
Een kind moet van zijn ouders leren om zijn emoties te begrijpen, te verwoorden en goed te reguleren. Zoals je hierboven hebt gelezen, hadden de ouders van iemand met een vermijdend hechtingspatroon niet echt aandacht voor de emoties van het kind. Hierdoor heeft het niet geleerd wat emoties je vertellen en kan het de emoties van anderen dus ook niet goed begrijpen. Dit kan overkomen als een gebrek aan empathie, maar het is niet zo dat deze mensen gevoelloos geboren zijn. Hun empathisch vermogen is slechts onderontwikkeld of geblokkeerd door hun eigen emotionele afsluiting.
Vanzelfsprekend hebben deze ouders het kind ook onvoldoende woorden gegeven om zijn emoties op een goede manier te uiten. Maar dat is niet het enige. Doordat ouders niet op het kind reageerden of met afwijzende reacties, heeft het kind dit ook in zijn communicatie overgenomen. Wanneer de volwassene later geconfronteerd wordt met de emoties van een vriend, partner of kind zal hij daarom vaak ook niet reageren of op dezelfde afwijzende manier als de ouders. Hij laat bijvoorbeeld wekenlang niets horen na de begrafenis van de partner van een vriend. Waarna hij op die vriend zijn verjaardag zegt dat hij ‘maar weer door moet gaan met zijn leven’. Of als zijn partner onvrede uit over de relatie ‘moet hij niet zo zeuren’.
Er spelen dan eigenlijk meerdere problemen bij elkaar. De volwassene:
- voelt en erkent zijn eigen emoties onvoldoende of niet;
- kan zich daardoor niet goed inleven in de emoties van de ander en erkent deze onvoldoende of niet;
- heeft een andere taal meegekregen die niet de juiste woorden bevat om gevoelens mee te bespreken.
Dit kan vooral bij een partner voor grote frustraties zorgen wanneer zij hun gevoelens en problemen in de relatie willen bespreken. Wanneer zij verwachten dat hun gevoelens serieus genomen worden en de ander ook zijn gevoelens zal uiten, en ze samen een oplossing zullen zoeken, komen ze bedrogen uit.
Vaak nemen zij dit persoonlijk, maar in werkelijkheid is de taal die hiervoor nodig is niet ‘geprogrammeerd’ in de jeugd van hun partner. Ze hebben vaak ook geen ervaring met het oplossen van kwesties door middel van een gesprek, waardoor ze de benodigde communicatieve vaardigheden missen. Wanneer ze zich niet bewust zijn dat ze dit missen en zichzelf als gewoon nuchter, rationeel of praktisch blijven zien, blijft de partner in de kou staan.
Omdat in de jeugd ook grote emoties onvoldoende erkend werden, heeft iemand met dit patroon daar vaak ook geen gezonde strategieën voor. Na bijvoorbeeld een overlijden of een ingrijpende gebeurtenis zal iemand zijn emoties dan ook niet doorleven en hier lichamelijk uiting aan geven om ze te verwerken. Hij zal deze eerder wegstoppen door zich te begraven in werk of andere afleiding, of middelen zoeken om ze te onderdrukken, wat uiteindelijk ten koste kan gaan van relaties en de eigen gezondheid.
De verschillende vormen van vermijdende hechting
Wanneer er over hechting wordt gesproken, gaat het eigenlijk altijd over vier patronen. Maar in de hechtingsliteratuur worden bij het vermijdende en angstige hechtingspatroon ook subpatronen beschreven. Jeroen Hoekman heeft deze in zijn boek Vrij gehecht uitgebreid uitgewerkt. Bij elke variant zie je in feite een andere manier waarop mensen met emoties omgaan, waardoor ze heel herkenbaar worden. Ik geef hier een korte beschrijving van deze subpatronen, waarbij ik de terminologie – afwijzend in plaats van vermijdend – van Hoekman gebruik.
Voor een uitgebreidere behandeling verwijs ik naar het boek zelf, waarin gedetailleerd beschreven wordt hoe deze subpatronen eruitzien, hoe ze ontstaan en hoe je vanuit de (sub)patronen kunt toewerken naar een veilig hechtingspatroon.
Het idealiserend-afwijzende hechtingspatroon
Mensen met het idealiserend-afwijzende patroon maken hun eigen emotionele behoeften klein en onbelangrijk, waardoor ze onzichtbaar zijn voor anderen en zich vaak alleen voelen.
Ze hebben de neiging om hun jeugd mooier voor te stellen dan die was. De ouders waren echter vooral functioneel en gaven (dure) spullen als compensatie voor de emotionele verwaarlozing. Omdat ze in hun beleving altijd kregen wat ze nodig hadden, beseffen ze niet wat ze emotioneel tekortgekomen zijn.
Ze geloven dat ze liefde verdienen door anderen te helpen of te bewonderen, wat leidt tot onderdanigheid en het onderdrukken van eigen behoeften. Ze vragen niet om hulp, terwijl ze dat eigenlijk wel willen, waardoor ze zich gefrustreerd en geïsoleerd voelen.
Meer over hechting lezen?
Leer de vier hechtingspatronen en hun subpatronen kennen en ga aan de slag om naar een (meer) zeker hechtingspatroon te groeien.
Het denigrerend-afwijzende hechtingspatroon
Mensen met dit subpatroon hebben een denigrerende grondhouding. Zij houden emoties buiten de deur met cynisme, spot en sarcastische opmerkingen (afzeikhumor). Het belang van hechting en hechtingsfiguren wordt geminimaliseerd door er neerbuigend over te doen. Ze zien zichzelf als sterker en slimmer dan anderen en kijken neer op gevoeligheid en afhankelijkheid. Kwetsbaarheid – bij zichzelf én bij anderen – wordt afgewezen.
Onder die neerbuigende houding gaat onzekerheid schuil. Afhankelijk worden van een ander voelt als een gevaar. Dit leidt tot oppervlakkige relaties en het onbewust kwetsen van naasten.
Dit patroon kan ook de basis zijn van narcisme. Dit wordt ook beschreven door Hoekman, maar laat ik hier buiten beschouwing.
Dr. Gregory House is het schoolvoorbeeld van denigrerend-afwijzend gedrag. (House M.D.)
Het controlerend-afwijzende hechtingspatroon
Mensen met dit subpatroon houden emoties buiten de deur door controle te houden over zichzelf en over de situatie. Ze ervaren emoties als minder belangrijk en kunnen vaak moeilijk beschrijven hoe iets voor hen voelt. Ze vertrouwen anderen niet snel en kunnen je een ongemakkelijk gevoel geven. Alsof je – zonder dat je begrijpt waarom – op je woorden moet passen. Dit komt omdat ze bang zijn om overheerst te worden.
Als je iemand met dit patroon bijvoorbeeld advies wilt geven over een bepaald gezondheidsprobleem, kan hij vinnig reageren met: ‘Ik weet zelf wel wat goed voor mij is.’ Uit deze reactie blijkt dat je iets geraakt hebt. Hij neemt een overdreven verdedigende houding aan omdat hij jou niet de macht wil geven omdat jij bijvoorbeeld ‘iets beter weet’. Terwijl het jou helemaal niet ging om macht, maar om de ander tot hulp te zijn.
De behoefte aan autonomie en controle van mensen met dit patroon is vaak groter dan hun behoefte aan verbinding, wat diepe relaties moeilijk maakt.
Als je ook wilt weten hoe de andere hechtingspatronen eruitzien en hoe ze ontstaan, lees dan verder op de volgende pagina’s. Je kunt ook direct aan de slag gaan met de algemene tips.
