Het gedesorganiseerde hechtingspatroon
Aantrekken en afstoten. Verlangen naar verbinding, maar er ook bang voor zijn. Is iemand zo geboren of is het een oude overlevingsstrategie?
Het gedesorganiseerde hechtingspatroon is het laatste onveilige hechtingspatroon. Op deze pagina lees je hoe dit patroon eruitziet bij volwassenen en hoe het ontstaat.
Het woord ‘gedesorganiseerd’ is een vakterm die betekent dat er geen eenduidige, effectieve strategie is ontwikkeld om met het gedrag van de ouder om te gaan, zoals bij het vermijdende en het angstige hechtingspatroon (georganiseerde strategieën). In het Nederlands wordt hiervoor soms ook de term ‘ontwricht’ gebruikt.
Dit hechtingspatroon kent geen subpatronen. Het belangrijkste kenmerk is namelijk dat mensen zowel angstig als vermijdend gehecht gedrag laten zien. Daarom wordt het ook wel het ‘angstig-vermijdende’ hechtingspatroon genoemd. Deze term dekt de lading echter niet volledig, omdat er ook ander gedrag kan voorkomen, zoals chaotisch gedrag, bevriezing of dissociatie. Wel is vaak te zien dat angstig of juist vermijdend gedrag sterker naar voren komt.
'Kom dichterbij, ga weg' - hieraan herken je het gedesorganiseerde hechtingspatroon
Denk je dat jijzelf of iemand in je omgeving dit hechtingspatroon heeft? Kijk dan of je de volgende kenmerken herkent.
Mensen met een gedesorganiseerd hechtingspatroon hebben een negatief beeld van zichzelf en van anderen. Ze verlangen naar intimiteit, maar zijn daar tegelijkertijd angstig voor. Ze zijn continu alert op bedreigingen en hebben moeite om anderen te vertrouwen. Ze kunnen intense emoties ervaren die plots opkomen en waar ze weinig grip op hebben.
Hun gedrag kan wisselend zijn: ze zoeken toenadering en trekken zich op een ander moment juist terug, waardoor het lastig is om stabiele relaties op te bouwen – niet alleen met een partner, maar ook met vrienden en collega’s.
Hun gedrag komt voort uit (onbewuste) gedachten als:
‘Ik wil wel dicht bij jou zijn, maar jij wilt mij uiteindelijk toch niet.’
‘Dit gaat vast weer mis.’
‘Het is onmogelijk dat iemand echt om mij geeft.’
Wanneer iemand emotioneel dichterbij komt, kan dit tegenstrijdig gedrag oproepen. Ze zoeken verbinding, maar duwen de ander tegelijkertijd weg omdat nabijheid angst oproept. Soms voeren ze een open en (te) persoonlijk gesprek, terwijl ze op andere momenten kortaf of afstandelijk reageren, of de ander volledig lijken te negeren. Hierdoor kan de ander zich verward voelen en gaan twijfelen of hij wel aardig gevonden wordt.
Voor iemand met dit patroon kan een nieuw contact prettig beginnen. Maar zodra er iets gebeurt dat oude pijn raakt, kan dit voelen als bevestiging dat de ander toch onveilig is. Dit kan al gebeuren bij iets wat voor de ander klein of onbedoeld was, zoals een onhandige opmerking binnen een gevoelig thema. Op zo’n moment kan het vertrouwen abrupt wegvallen. Zelfs als de ander het probeert te herstellen of excuses aanbiedt, blijft het gevoel van onveiligheid vaak aanwezig en wordt iemand alert. Bij elk volgend voorval binnen datzelfde thema kan dat gevoel verder worden bevestigd en versterkt.
Binnen een relatie kunnen emoties sterk wisselen. Het ene moment voelt iemand zich vol liefde en het volgende moment angstig of heel boos. Dit kan voor de partner heel verwarrend zijn, ook omdat hij niet weet waardoor dit zo snel om kan slaan.
Als de partner zich bijvoorbeeld niet aan een afspraak houdt, wil iemand met dit hechtingspatroon de ander afwijzen, maar is daarbij ook angstig voor de afstand die hij daarmee creëert. Iemand kan dan iets heel lelijks zeggen om de ander weg te duwen en dan doodsbang zijn voor wat hij heeft aangericht en er alles aan doen om de connectie te herstellen.
De ander kan zich door dit chaotische gedrag heen en weer geslingerd voelen. Hij is gekwetst door de lelijke opmerking die voor hem uit het niets kwam, waarna er al snel van hem gevraagd wordt om zijn liefde overtuigend te bevestigen, waar hij op dat moment emotioneel helemaal niet toe in staat is. Dit maakt relaties vaak intens, maar ook instabiel en verwarrend voor beide kanten.
Achter dit gedrag ligt een diepe overtuiging dat de ander hem uiteindelijk toch zal verlaten. Hij kan moeilijk geloven dat zijn partner van hem houdt zoals hij is en verwacht elk moment afgewezen te worden. Dit kan ertoe leiden dat hij zich zo gaat gedragen dat hij die afwijzing zelf uitlokt.
Voorbeeld:
Jeffrey en zijn partner Noor zijn al een jaar samen. Het gaat over het algemeen goed, maar Jeffrey is voortdurend bang dat Noor hem uiteindelijk zal verlaten, wat soms escaleert in ruzie. Als Noor een avond met vriendinnen afspreekt en niet op de afgesproken tijd thuis is, slaat bij Jeffrey de vlam in de pan. Hij stuurt boze berichten, belt haar op en begint te schelden, waar hij al snel spijt van heeft.
Noor is gekwetst en zet haar telefoon uit. Voor Jeffrey voelt dit als bevestiging: zie je wel, ze gaat toch weg. In paniek probeert hij het goed te maken. Hij stuurt lieve en verontschuldigende berichten, en als zij thuiskomt vraagt hij haar steeds of ze nog van hem houdt. Noor weet niet wat ze hiermee aan moet. Ze houdt van Jeffrey, maar voelt zich uitgeput door de hevigheid van zijn reacties.
Jeffrey ziet niet dat hij zelf de afwijzing uitlokt waar hij zo bang voor is. Zijn gedrag komt niet voort uit onwil of omdat hij haar wil kwetsen of controleren, maar uit een diep en onbewust geloof dat hij uiteindelijk toch verlaten zal worden.
Trauma en triggers
Bij dit patroon is altijd sprake van trauma, meestal langdurig of herhaald trauma, wat zich kan uiten als ‘Complex PTSS’. Zie ook ‘Hechting en trauma’.
Zolang dit trauma niet is verwerkt, kunnen gebeurtenissen in het heden – zogenaamde ‘triggers’ – een sterke emotionele reactie oproepen die buiten proportie is. Dit komt omdat er iets wordt geraakt dat in het brein verbonden wordt aan herinneringen aan een trauma. Voorbeelden van triggers zijn geuren, bepaalde geluiden of bepaalde opmerkingen van anderen. De persoon voelt zich dan weer even terug in de traumatische situatie, en reageert met een vecht, vlucht of bevriezingsreactie, terwijl er op dat moment meestal helemaal geen gevaar is.
Iemand kan bijvoorbeeld in woede uitbarsten nadat zijn partner zegt dat een rode jas hem niet mooi staat. Deze reactie wordt veroorzaakt doordat de opmerking oude gevoelens van minderwaardigheid en boosheid raakt, bijvoorbeeld door pesten in het verleden. Voor een ander is deze reactie overdreven, maar dat ziet de persoon zelf vaak niet omdat hij zich niet altijd bewust is van (al) zijn trauma’s, of omdat hij op het moment dat hij getriggerd wordt deze koppeling niet kan leggen.
Soms worden traumatische ervaringen ook gebagatelliseerd of als normaal gezien omdat men niet anders gewend is. Dit kan het voor anderen en hulpverleners moeilijk maken om door te dringen dat bepaald gedrag geleid wordt door iets uit het verleden.
Als je weet dat het gedesorganiseerde hechtingspatroon ooit ontstond als strategie om te overleven in een situatie zonder uitweg, kun je leren om je veilig te voelen bij een ander.
Grote verschillen
De verschillen tussen de levens van mensen met een gedesorganiseerd hechtingspatroon kunnen groot zijn. Iemand kan opgegroeid zijn in een ogenschijnlijk normaal gezin, terwijl een ander al vroeg te maken had met jeugdzorg en uithuisplaatsingen. Dit kan ook extra trauma hebben veroorzaakt, wanneer pleeggezinnen of instanties ook geen veilige omgeving boden.
Het is vaak makkelijker om fysieke mishandeling en misbruik te herkennen dan emotionele mishandeling en verwaarlozing. Hierdoor beseffen volwassenen die zijn opgegroeid in gezinnen waar de problemen minder zichtbaar waren zich niet altijd dat er sprake is geweest van traumatische ervaringen, en dat deze nog steeds invloed hebben op hun leven. Of iemand beseft dit deels wel, maar relativeert het op andere momenten weg, bijvoorbeeld door te denken dat het ‘niet zo erg was als bij andere kinderen’. Op deze manier wordt de pijn vermeden, waardoor deze niet verwerkt kan worden.
Een deel van de mensen met dit patroon leidt een ogenschijnlijk normaal leven, waarbij er voor de buitenwereld weinig zichtbaar is van de onderliggende spanning en gevoelens van onveiligheid. Soms is dit alleen merkbaar binnen het gezin, of komt het pas naar voren wanneer iemand te maken krijgt met veel stress, verlies of andere ingrijpende gebeurtenissen. Anderen lopen echter al vroeg in hun leven vast en krijgen te maken met emotieregulatieproblemen, middelenmisbruik of het herhalen van het gedrag van de ouder.
Hoe het patroon ontstaat
Om een veilig hechtingspatroon te ontwikkelen heeft een kind in de eerste plaats een veilige thuissituatie nodig. Bij mensen met een gedesorganiseerd hechtingspatroon was het thuis niet veilig omdat één of beide ouders zélf een bron van gevaar waren. Het ene moment was de ouder aardig of liefdevol en aanwezig, het andere moment beangstigend doordat hij verbaal of fysiek agressief werd, ineens de deur uitging of naar drank of drugs greep, of gedrag vertoonde dat het kind niet kon plaatsen (misbruik). Of doordat hij plotseling helemaal in zichzelf keerde en niet meer te bereiken was.
Omdat een kind vanuit de evolutie heeft meegekregen dat het bij angst moet uitreiken naar de ouders, komt het hierdoor vast te zitten tussen twee natuurlijke neigingen:
- Ik wil naar mijn ouder toe voor veiligheid.
- Ik moet weg van het gevaar.
Wanneer de ouder bijvoorbeeld agressief wordt, verkeert het kind in een onoplosbare situatie. Het ervaart hevige angst en heeft troost nodig, maar troost zoeken bij de ouder is gevaarlijk. Het kan niet van het gevaar weg en het kan er ook niet blijven. Er is geen uitweg die leidt naar veiligheid.
Doordat deze twee tegengestelde impulsen tegelijk worden geactiveerd, raakt het zenuwstelsel ontregeld en bevriest het kind in zijn actie. Het brein van het kind probeert zich hierop aan te passen door zichzelf op te splitsen en bepaalde ervaringen of gevoelens af te schermen om te overleven, wat kan leiden tot bijvoorbeeld emotionele afvlakking, dissociatie of fragmentarische herinneringen aan traumatische gebeurtenissen. Deze aanpassing is geen falen van het kind, maar een intelligent systeem om te overleven.
Dit is in grote lijnen hoe het gedesorganiseerde hechtingspatroon ontstaat. Het kind leert onbewust dat de ander zowel onmisbaar als gevaarlijk is, en neemt deze innerlijke tegenstrijdigheid mee naar zijn latere relaties.
De vier voorwaarden
Om een beter beeld te krijgen van waar het gedrag van volwassenen met het gedesorganiseerde patroon vandaan kan komen, kun je ook weer kijken naar de vier voorwaarden voor een veilige hechting. Hierbij is het opnieuw belangrijk te benadrukken dat het om algemeenheden gaat en dat bij ieders opvoeding ook andere elementen een rol kunnen hebben gespeeld. Bovendien was het vaak niet zo dat beide ouders op deze manier reageerden, maar was vooral het gedrag van één ouder bepalend voor het ontstaan van het hechtingspatroon.
Warmte, intimiteit en wederzijds plezier
Voor een gezonde ontwikkeling is het essentieel dat ouders of verzorgers een warme, intieme relatie opbouwen en genieten van het contact met het kind. Bij iemand met een gedesorganiseerd hechtingspatroon was dat contact er (soms) wel maar was het onvoorspelbaar en kon het abrupt omslaan in gedrag dat angstaanjagend was.
Het kind leerde hierdoor iets verwarrends: verbinding voelt fijn én gevaarlijk tegelijk. Het verlangde naar de nabijheid van de ouder, maar wist nooit wat het zou krijgen als het die nabijheid zocht. Het moest daarom altijd op zijn hoede zijn.
Door het angstaanjagende gedrag van de ouder ervaarde het kind niet dat het waardevol was en dat de ouder positieve intenties had, al waren de bedoelingen van de ouder – met uitzondering van ouders met psychopathisch gedrag – over het algemeen goed.
Vaak komt dit onvoorspelbare gedrag van de ouder voort uit zijn eigen verleden. Tijdens het opvoeden van kinderen kunnen allerlei situaties voorkomen die trauma’s van de ouder kunnen triggeren en oude gevoelens naar boven kunnen halen. Als de ouder zich hier niet van bewust is, kan hij vanuit zijn verleden met een fight, flight of freeze reactie reageren – door agressief te worden, er plotseling vandoor te gaan of juist helemaal dicht te klappen.
Als een kind bijvoorbeeld het eten dat de ouder heeft gekookt niet lekker vindt en weigert te eten, kan dit bij de ouder oude gevoelens oproepen dat hij het nooit goed kon doen, waardoor hij gaat handelen vanuit de ongecontroleerde boosheid die hij daar als kind bij voelde.
Naast deze triggers, kan de ouder ook emotioneel geraakt worden door de partner, andere mensen of stressvolle situaties en deze gevoelens afreageren op het kind. Hierdoor is het kind al onveilig zonder zelf ook maar iets te doen.
Als volwassene heeft iemand hierdoor vaak een negatief zelfbeeld en kan intimiteit niet toelaten, ondanks zijn diepe verlangen hiernaar. Wie zijn jeugd niet heeft verwerkt, loopt bovendien het risico om hetzelfde gedrag te herhalen bij zijn eigen kinderen.
Afstemming op het kind
Bij afstemming gaat het erom dat een ouder de signalen van het kind opmerkt en hier sensitief op reageert. Bij dit patroon was er wellicht deels wel sprake van afstemming, maar op momenten dat de ouder zélf het gevaar was, was er niemand die het sensitief opving. Hierdoor kon trauma ontstaan (zie ook Hechting en trauma).
Meestal werd het later ook niet goedgemaakt met het kind met uitleg, wat essentieel is voor vertrouwen en het begrip dat ook goede mensen fouten kunnen maken. Als het al goedgemaakt werd, gebeurde dit met cadeaus of pizza, zaken die niet bijdragen aan een gevoel van veiligheid.
Ons zenuwstelsel is erop ingericht om situaties te voorspellen op basis van ervaringen uit het verleden. Maar omdat de ouder het ene moment veilig en het andere moment angstaanjagend kon voelen, zonder dat het kind de omslag kon begrijpen, moest het zenuwstelsel altijd ‘aan’ blijven staan. De consistentie en voorspelbaarheid die een kind nodig heeft ontbrak, waardoor het kind niet leerde dat het op de ouder kon rekenen, dat het ertoe deed en niet verlaten zou worden.
Ook als hij op volwassen leeftijd niet meer van bepaalde mensen afhankelijk is voor zijn veiligheid, blijft het zenuwstelsel op scherp staan. Dit kost veel energie en kan leiden tot allerlei psychische en lichamelijke klachten.
Nicole Lepera over hyperalertheid in een relatie.
Balans tussen autonomie en veiligheid
Een kind heeft de behoefte om de wereld te verkennen vanuit een veilige basis om op terug te vallen. Bij kinderen met een gedesorganiseerd patroon was de thuisbasis niet alleen onbetrouwbaar, maar soms ronduit onveilig.
Doordat het kind continu alert moest zijn op gevaar, kon het zich niet volledig richten op zijn eigen ontwikkeling. Het kind was vaak meer bezig met zijn veiligheid dan met zijn spel. Wanneer het dacht dat het veilig was en wat risico durfde te nemen, zocht het kind de nabijheid van de ouder, maar op andere momenten maakte het zich zo onzichtbaar mogelijk. Of het gedroeg zich besluiteloos, alsof het niet kon kiezen tussen de ouder en zijn eigen activiteit.
Omdat de ouder vaak emotioneel niet beschikbaar was of bijvoorbeeld boos uit kon vallen wanneer het kind iets vroeg, kon het kind bij het spelen en ontdekken vaak niet op de ouder terugvallen wanneer hij hulp of bevestiging nodig had. Door het ontbreken van deze basisveiligheid kon het kind geen zelfvertrouwen ontwikkelen. Bovendien leerde het niet dat verbinding iets is waar je op kunt rekenen, ook als er even geen contact is.
Als volwassene kan iemand moeilijk zichzelf zijn, niet alleen uit een gebrek aan zelfvertrouwen, maar ook omdat hij verwacht dat anderen om wat voor reden dan ook ineens boos kunnen worden. Hij durft ook vaak geen hulp te vragen of zijn mening te uiten. Zijn neiging om zich onzichtbaar te gedragen kan zijn ontwikkeling en ambities in de weg zitten. Daarnaast weet hij vaak niet wat hij wil omdat hij niet goed in contact is met zichzelf.
Hulp bij emotieregulatie
Een kind moet van zijn ouders leren om emoties te herkennen, te verwoorden en te reguleren. Wanneer de ouder zelf een bron van gevaar was, heeft een kind dit vaak maar (zeer) beperkt geleerd. Op de momenten dat de ouder angstaanjagend was en het kind het hardste steun nodig had, was er niemand die het kind opving, het begreep en woorden aan de situatie en de gevoelens gaf. Door het gebrek aan redding en steun, liep het zenuwstelsel vast.
Emoties die tijdens de jeugd niet konden worden verwerkt, zijn opgeslagen in het brein en in het lichaam. Deze kunnen er bij de volwassene soms ineens uitkomen wanneer hij getriggerd wordt en hem overspoelen. Dit kan leiden tot heftige emotionele reacties. Wanneer hij als kind op traumatische momenten heeft gedissocieerd, kan hij later bij triggers opnieuw dissociëren.
Ook in het dagelijks leven kan iemand moeite hebben om de gewone emoties die horen bij het leven te reguleren omdat hij de vaardigheden daarvoor niet heeft geleerd. Emoties kunnen voor hem ongrijpbaar voelen waardoor hij er ook angstig voor kan zijn.
Sommige volwassenen beschrijven ook wel een gevoel van ‘vastzitten’, ze kunnen in bepaalde situaties ineens geen kant meer op, zonder dat ze weten waarom. Ze kunnen dan niet bewust bij de traumatische ervaringen komen die ergens in hun systeem opgeslagen zijn.
Soms kan het voor iemand met dit patroon voelen alsof hij twee emotionele compartimenten heeft. Als de situatie veilig voelt, handelt hij vanuit het ene en als hij zich onveilig voelt vanuit het andere, waarbij het onmogelijk voelt om vanuit het ene naar het andere compartiment te gaan.
De mate waarin iemand woorden kan geven aan zijn emoties is afhankelijk van hoe de ouder met hem omging wanneer hij in goeden doen was. Maar wanneer iemand getriggerd is, kan het voeren van een gesprek onmogelijk zijn, omdat het rationele denken op zo’n moment door de hevige emoties wordt uitgeschakeld.
Ook kan het uitpraten van een ruzie of een gesprek voeren over een meningsverschil soms onmogelijk zijn. Omdat voor zichzelf opkomen in de jeugd vaak geen optie was, kunnen zulke situaties oude gevoelens van angst en machteloosheid oproepen. Hierdoor kan iemand boos reageren of erg vasthouden aan zijn eigen standpunt, met als gevolg dat de ander zich niet gehoord voelt en het gesprek vastloopt.
Wat is het verschil tussen een hechtingspatroon en een hechtingsstijl? En kun je je eigen hechting testen? Hierover gaan de volgende pagina’s. Je kunt ook direct doorgaan naar de algemene tips bij onveilige hechting.
