Mensen die uit een jeugd of een relatie komen waarin er sprake was van narcistisch gedrag, mishandeling, misbruik of verwaarlozing, lopen vaak rond met talloze vragen over hun ouder of ex-partner. Deze vragen gaan meestal over het ‘hoe’: Hoe kan het dat iemand dit of dat deed? Hoe kan iemand zo lief zijn, maar ook zulke slechte dingen doen? Hoe kan iemand niet doorhebben dat dit mij pijn deed? Hoe kan het dat er nooit excuses komen? Hoe kan iemand zo slim zijn, maar dit zelfinzicht missen?
Dit soort vragen kunnen voelen als een doolhof zonder uitgang en iemand lange tijd bezighouden. In dit artikel probeer ik te duiden waarom dit zo is en geef ik tips om hiermee om te gaan.
Het verhaal rondkrijgen
Om te beginnen wil ik aangeven dat het heel logisch is om deze vragen te hebben. Op basis van feiten kunnen we gedrag meestal indelen in ‘goed’ of ‘slecht’, waardoor je zou denken dat je bij een bepaalde mate van slecht gedrag de ander als slecht kunt zien en achter je kunt laten. Maar zo zit ons brein niet in elkaar. Het brein is erop gericht verhalen rond te maken. We willen begrijpen wat ons overkomen is. Dat zie je ook na ongelukken of misdrijven: slachtoffers of nabestaanden willen altijd weten wat de omstandigheden waren en wat de dader bezielde om tot zijn daad te komen. Iets begrijpen geeft ons brein rust. Dit heeft te maken met overleving: als je een situatie begrijpt, kun je patronen zien en weet je wat je de volgende keer moet doen om dit te vermijden of onder controle te houden.
Het is dus verklaarbaar dat mensen met deze vragen rondlopen. Vaak hebben ze ook wel vragen gesteld, maar geen echte antwoorden gekregen. Ook dat kan dan zo’n vraag worden: Waarom krijg ik daar nou geen antwoord op?
Veilige versus onveilige relaties
In veilige relaties is er ruimte om dingen te vragen en gevoelens te bespreken. Als je iets aankaart waar je mee zit, kan dat meestal wel in één of enkele gesprekken worden opgelost. Omdat de ander misschien zelf even moet nadenken als hij ergens mee geconfronteerd wordt, kan dit niet altijd direct of in één keer. Mensen zouden hierbij open moeten staan voor feedback en te kunnen erkennen dat ze fouten maken en tekortkomingen hebben.
Als iemand open is en zijn beweegredenen kan delen – waarom hij deed wat hij deed of waar zijn reactie vandaan kwam (bijvoorbeeld herhaling van gedrag dat vroeger onderdeel was van zijn overlevingsstrategie) – en daarnaast spijt betuigt, kunnen we begrip en compassie voelen. Hierdoor ontstaat een gevoel van opluchting: de situatie is opgelost.
Als dat ontbreekt, voel je je niet gehoord en kun je het verhaal niet rond maken. Dat leidt tot een gevoel van onveiligheid. Dat is begrijpelijk, want iemand die niet laat zien dat hij reflecteert en de gevolgen van zijn gedrag voor jou niet onder ogen wil zien, is ook niet veilig. Die kan hetzelfde zomaar weer doen. En dat is ook wat veel mensen in hun jeugd of in een relatie overkomen is.
De zoektocht naar verklaringen
Omdat het brein streeft naar veiligheid, kunnen deze onopgeloste vraagstukken steeds weer door ons hoofd gaan. Omdat we geen antwoorden krijgen van de persoon zelf, kunnen we deze elders gaan zoeken. Allereerst bij onszelf: hebben we zelf soms iets gedaan waardoor we dit veroorzaakt of uitgelokt hebben? Is er iets in ons gedrag geweest dat het gedrag van de ander verklaart? Want vaak willen we het beeld dat die persoon in de basis wel veilig was hooghouden, omdat we een soort wensbeeld op die persoon hebben geprojecteerd. Dit leidt echter eerder tot verwarring en zelftwijfel dan tot antwoorden. Daarnaast kunnen we het gaan zoeken bij mensen in onze omgeving, in boeken en op internet. Wat kan dit gedrag verklaren?
Wat je kunt doen om meer rust te krijgen
Uiteindelijk zul je nergens echte antwoorden vinden, maar er zijn wel manieren om meer rust te krijgen. Bijvoorbeeld:
1. Leer over hechting: hoe een mens in zijn jeugd ‘geprogrammeerd’ wordt
Onze (vroege) ervaringen met onze ouders en omgeving bepalen hoe we later omgaan met andere mensen, stress en emoties. Je kunt dit zien als ‘software’ die we geïnstalleerd krijgen. Dit kan goede software zijn, zoals vaardigheden om adequaat met emoties om te gaan, maar ook slechte software, zoals het afweren van emoties (afweermechanismen). Dit laatste gebeurt als je ouders niet empathisch waren en je wegen moest zoeken om jezelf te beschermen.
Het kan daarom helpen om mensen te zien als computers waarop bepaalde software wel of niet geïnstalleerd is en waarop ook virussen kunnen staan. De geïnstalleerde software bepaalt de output. Als je bijvoorbeeld geen fotobewerkingsprogramma op je computer hebt, kun je geen foto’s bewerken. En zo kun je van iemand die geen goede communicatieve vaardigheden heeft meegekregen, bijvoorbeeld niet verwachten dat hij zijn emoties goed kan uiten.
Iedereen heeft wel wat slechte software op de harde schijf staan (zoals afweermechanismen), maar bij mensen die niet op zichzelf kunnen reflecteren, is er meer aan de hand. Je zou het zo kunnen zien dat bij hen de schijf geïnfecteerd is met een virus, waardoor de nodige software om empathie te voelen en beter te communiceren niet meer geïnstalleerd kan worden. En dat ook de mechanismen om op zichzelf te kunnen reflecteren, niet bereikt kunnen worden. Dit kan komen door trauma of door een jeugd waarin iemand er helemaal alleen voor stond. Als dat het geval is, is verandering zeldzaam. Hoeveel energie je er ook in steekt, je dringt niet door.
Als je dit begrijpt, zul je zien dat pogingen van jou steeds tot hetzelfde resultaat leiden – zoals op een rekenmachine 2+2 altijd 4 geeft. Alleen krijg je niet de logische 4, maar een output die voor jou onlogisch voelt. Dit inzicht kan je helpen om meer afstand te nemen. De output heeft namelijk niet met jou te maken, maar met de software die al geïnstalleerd was, lang voordat jij in beeld kwam. De hechtingstheorie kan hierover nog veel meer uitleg geven, welk gedrag van ouders welke gevolgen kan hebben op het latere leven, en hoe hechtingspatronen gevormd worden en tot uiting komen.

2. Verdiep je in zijn of haar jeugd
Een tweede manier, die samenhangt met de eerste, is om te proberen een beeld te krijgen van de jeugd van de betreffende persoon, zodat je beter kunt begrijpen hoe het komt dat bepaalde ‘software’ wel of niet geïnstalleerd is. Dit is niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld bij een ex of overleden ouder. Maar je kunt misschien naar punt 1 kijken met wat je wél weet.
Als je je (ex-)schoonouders of je opa en oma hebt ontmoet en daarbij geen warmte hebt gevoeld en zij bijvoorbeeld heel functioneel communiceerden, kun je je wel indenken dat je ex of ouder met weinig empathie is opgegroeid. Op basis van de manier van communiceren kun je ook wel begrijpen dat hij of zij niet geleerd heeft om zichzelf adequaat te uiten. Of als je weet dat je vader geslagen werd omdat hij het goede voorbeeld moest geven aan zijn tien jongere broertjes en zusjes, kun je begrijpen dat hij niet goed in contact staat met zijn gevoelens. Deze context helpt om te verklaren hoe iemand is geworden wie hij is, waardoor je brein dingen beter kan plaatsen.
3. Jezelf informeren over narcisme.
Veel mensen vragen zich af of hun ouder of (ex-)partner een narcist is. Maar niet iedereen die slecht of egocentrisch gedrag vertoont, is klinisch te diagnosticeren met een ‘narcistische persoonlijkheidsstoornis’. Daarbij lopen de beschrijvingen van narcisme in boeken of online nogal uiteen, waardoor je kunt blijven twijfelen. Ik begrijp de behoefte aan een etiket, omdat dat het makkelijker maakt om dingen te begrijpen en accepteren. Maar een label is niet noodzakelijk. Wat belangrijker is, is of je bepaalde gedragingen herkent, zodat je twijfel over specifieke acties verdwijnt: zie je wel, ik zag het wél goed dat dat gedrag niet door de beugel kan. Hiervoor kun je boeken lezen of video’s op van deskundigen op YouTube raadplegen – met de kanttekening dat er heel stellige beweringen worden gedaan over wat narcisme precies is, die niet altijd waar zijn. Hierbij kan herhaling helpen, omdat het soms lastig is de waarheid onder ogen te zien – je hoort liever iets anders waardoor je je positieve projectie op de betreffende persoon in stand kunt houden.
4. Jezelf begrenzen
Zoals ik al schreef, is het logisch dat het brein antwoorden zoekt, en het is volgens mij heel normaal om hier als volwassene na een moeilijke jeugd of relatie een tijd mee bezig te zijn. Maar het kan je ook te veel gaan bezighouden, waarbij je kunt merken dat je steeds in dezelfde gedachtencirkel terechtkomt met vragen waar je nooit antwoord op zal krijgen. Het is dan belangrijk om te begrijpen hoe je brein werkt en jezelf te gaan begrenzen. Alles wat aandacht krijgt, groeit letterlijk in je brein. Er worden nieuwe connecties gemaakt waardoor circuits in stand worden gehouden en versterkt. Als je ergens geen aandacht meer aan besteedt, dan kunnen die connecties verzwakken waardoor het onderwerp steeds meer naar de achtergrond kan verdwijnen. Elke keer dat je weer helemaal meegaat in die gedachtencirkel, versterk je hem weer en zo houd je deze ook in stand. Dit kun je zelf beïnvloeden door jezelf te stoppen als je de gedachten weer ziet komen, met bijvoorbeeld de woorden: ‘Oké, ik zie dat de gedachtencirkel weer actief wordt, maar ik ga hier niet in mee, want ik weet dat het me niets nieuws op zal leveren.’ Waarna je iets gaat doen waarbij je je breincapaciteit hard nodig hebt om jezelf af te leiden. Als je dit consequent doet, zal dit steeds makkelijker worden.
5. Accepteer dat jij het hoofdstuk zelf moet sluiten
Een pijnlijk maar belangrijk inzicht is dat jouw brein een antwoord wil op een vraag waar de ander nooit verantwoordelijkheid voor zal nemen. Soms ontstaat rust niet doordat je het verhaal rondkrijgt, maar doordat je accepteert dat jij degene bent die het hoofdstuk zelf moet sluiten, zonder hun uitleg.
Belangrijke kanttekening
Deze benadering is niet bedoeld om trauma te onderdrukken. Als je merkt dat herinneringen of reacties je blijven overspoelen en je hier niet alleen uitkomt, kan gespecialiseerde traumatherapie nodig zijn.




