Wat is hechting?
Wat is hechting precies? Wat zijn de vier hechtingspatronen en hoe ontstaan deze? Hoe weet je of je psychische problemen of relatieproblemen te maken hebben met hechting? En kun je je hechtingspatroon eigenlijk veranderen? Hierover lees je op deze pagina.
Wat is hechting?
Veel mensen denken bij ‘hechting’ aan het gevoel dat ze aan iemand gehecht zijn. Maar bij hechting gaat het er niet alleen over óf je een band kunt aangaan, maar ook over hoe die band eruitziet. Dit ‘hoe’ wordt voor een groot deel bepaald door de eerste relaties in je leven, met je ouders of verzorgers. In deze eerste relaties leert een kind bijvoorbeeld of hij op anderen kan vertrouwen, of zijn gevoelens er mogen zijn en of hij steun krijgt wanneer dat nodig is. Deze vroege ervaringen neem je onbewust mee in je volwassen leven en hebben grote invloed op hoe je in het leven staat en met anderen omgaat.
Zelfs – of met name – sterke gevoelens van gehechtheid kunnen voortkomen uit onveilige hechting.
Je kunt hechting eigenlijk zien als de onzichtbare fundering van ons zelfbeeld en van hoe we met anderen omgaan.
Waar komt de hechtingstheorie vandaan?
De hechtingstheorie is in de jaren ’50 ontwikkeld door de Britse psycholoog John Bowlby. Hij ontdekte dat de band tussen een kind en zijn ouders of verzorgers erg belangrijk is voor een goede ontwikkeling. Het oorspronkelijke idee was dat een kind een gehechtheidsband vormt met een verzorger om bescherming te krijgen tegen gevaar en bedreiging, als een biologische overlevingsstrategie. Later zag hij hechting breder: niet alleen de fysieke aanwezigheid van een verzorger is belangrijk, maar vooral de emotionele beschikbaarheid.
Andere onderzoekers, zoals Mary Ainsworth, hebben de theorie verder uitgewerkt en aangetoond dat kinderen zich op verschillende manieren kunnen hechten.
De vier hechtingspatronen
Deze verschillende manieren van hechten zijn onderverdeeld in vier hechtingspatronen: veilig, afwijzend, gepreoccupeerd en ontwricht. Elk patroon beïnvloedt hoe iemand zich gedraagt in relaties, zoals hieronder in het kort beschreven:
- Het veilige hechtingspatroon (ook wel ‘zekere’ genoemd) Mensen met dit patroon durven zich open te stellen naar anderen, voelen zich vrij om steun te zoeken, en kunnen een balans vinden tussen nabijheid en autonomie.
- Het afwijzende hechtingspatroon (ook wel ‘angstig-vermijdend’ genoemd)
Mensen met dit patroon houden vaak afstand, hebben moeite met emotionele nabijheid, en proberen hun zelfstandigheid te bewaren door hun gevoelens en behoeften te onderdrukken. - Het gepreoccupeerde hechtingspatroon (ook wel ‘angstig-ambivalent’ genoemd)
Mensen met dit patroon zijn vaak onzeker over de beschikbaarheid van anderen, zoeken veel bevestiging en kunnen zich zorgen maken over afwijzing of verlating. - Het ontwrichte hechtingspatroon (ook wel ‘gedesorganiseerd’ genoemd) Mensen met dit patroon vertonen vaak tegenstrijdig gedrag: ze willen nabijheid, maar ervaren die tegelijkertijd als bedreigend, waardoor ze moeite hebben met vertrouwen en emotionele stabiliteit.
Je kunt meer over deze patronen lezen op de betreffende pagina’s.
Hoe ontstaat een hechtingspatroon?
De basis van ons hechtingspatroon ontstaat al in de eerste 12 tot 24 maanden van ons leven, in de relatie met onze belangrijkste verzorgers. De manier waarop ouders of verzorgers omgaan met de emoties van een kind is bepalend voor welk hechtingspatroon een kind ontwikkelt. Heel in het kort komt het hier op neer:
- Als een kind merkt dat zijn emoties serieus worden genomen en er troost en steun is, ontwikkelt het een veilig hechtingspatroon.
- Als er wel fysiek voor een kind wordt gezorgd maar er weinig aandacht is voor gevoelens, ontwikkelt het vaak een afwijzend hechtingspatroon.
- Als ouders snel bezorgd zijn en moeite hebben om de emoties van hun kind op te vangen, kan het een gepreoccupeerd hechtingspatroon ontwikkelen.
- Als ouders onvoorspelbaar zijn of zelf een bron van gevaar zijn, kan een kind een ontwricht hechtingspatroon ontwikkelen.
Wat er minimaal nodig is voor het ontwikkelen van een veilig hechtingspatroon en hoe de andere patronen precies ontstaan, kun je lezen op de pagina ‘De ontwikkeling van het hechtingspatroon’ en de pagina’s over de patronen.
Ook grote en kleine trauma’s spelen een rol bij het ontwikkelen van het hechtingspatroon. Hierover kun je lezen op de pagina ‘Trauma en hechting’
Hechting en psychische of relatieproblemen
Als je psychische problemen hebt zoals angst of depressie of als je relatieproblemen hebt (of problemen met relaties), zal je je misschien afvragen of deze problemen te maken hebben met hechting. Onderstaand lijstje kan je helpen om hier duidelijkheid over te krijgen:
- Zelfbeeld: heb je zelfvertrouwen en gevoelens van eigenwaarde?
- Emoties: kan je je emoties echt voelen en kan je ze in woorden uiten?
- Steun zoeken: durf je hulp te vragen wanneer je ergens zelf niet uitkomt en kan je hulp ontvangen?
- Vertrouwen: durf je op anderen te rekenen?
- Autonomie: durf je zelf nieuwe dingen te ontdekken, keuzes te maken en mag je van jezelf fouten maken?
- Grenzen: herken je je eigen behoeften en respecteer je die? En kan je de grenzen van anderen respecteren?
- Emotieregulatie: heb je effectieve manieren om om te gaan met bijvoorbeeld spanning, verdriet of boosheid?
- Intimiteit en nabijheid: kun je jezelf openstellen voor anderen en kun je dichtbij een ander komen zonder je zelf te verliezen?
- Omgaan met conflicten: kun je meningsverschillen hanteren zonder jezelf of de ander te verliezen?
- Veerkracht: kun je terugveren na tegenslag, verlies of teleurstelling?
Dit is geen officieel lijstje om hechtingsproblematiek te scoren, maar als je meerdere vragen met ‘nee’ of ‘NEE’ hebt beantwoordt, dan is de kans groot dat je geen veilig hechtingspatroon hebt.
Kan je je hechtingspatroon veranderen?
Zoals ik eerder schreef wordt je hechtingspatroon al tijdens je vroege ontwikkeling gevormd. Dit is ook terug te zien in de hersenen: bij verschillende hechtingspatronen zijn bepaalde hersengebieden sterker of juist minder ontwikkeld. Maar dit betekent niet dat je hechting voor altijd vastligt. Onze hersenen zijn veranderlijk. De belangrijkste voorwaarden om je hechtingspatroon te kunnen veranderen zijn: bewustzijn en of je kunt ‘mentaliseren’.
Bewustzijn spreekt voor zich, je moet eerst weten dat je een hechtingspatroon hebt en herkennen hoe het zich uit in je relaties en emoties. Mentaliseren betekent dat je van een afstandje naar je eigen jeugd, gedrag en gedachten en kunt kijken. En ook naar het gedrag van anderen en hoe jouw eigen gedrag hier invloed op heeft. Als je dit kunt, dan kun je zelf of met een hulpverlener werken aan een (meer) zeker hechtingspatroon.
Dit geldt dus niet voor iedereen. Bij sommige mensen zijn hun overlevingsstrategieën zo diep verankerd dat zelfreflectie – en daardoor verandering – nauwelijks mogelijk is. In zulke gevallen beschermt het brein hen op manieren die ze niet zomaar – of misschien wel helemaal niet – bewust kunnen loslaten.
De schuldvraag
Veel mensen vinden het lastig om hun hechting te onderzoeken, omdat dit ook iets zegt over hun ouders. Ze kunnen zich schuldig voelen omdat tijdens dit proces vooral de tekortkomingen van hun ouders naar voren komen. Vaak worstelen ze met het idee dat hun ouders toch echt hun best hebben gedaan. En meestal is dat ook zo, behalve wanneer er sprake was van mishandeling of ernstige verwaarlozing.
Vaak ontbraken bij de ouders simpelweg de kennis en vaardigheden om het echt goed te doen, omdat zij dat zelf niet van hún ouders hadden meegekregen. Of er waren (ook) omstandigheden, zoals ziekte van een van de ouders of geldzorgen, waardoor ze niet goed op de kinderen konden afstemmen.
Je mag dit als twee aparte dingen zien die naast elkaar bestaan: je kunt erkennen wat je tekortgekomen bent en daar iets mee doen, zonder er een schuldvraag aan te koppelen.
